Ratten- en muizenvergif op basis van anticoagulantia bij honden en katten

De meeste ratten- en muizengiffen (rodenticiden) bevatten anticoagulantia. Deze stoffen veroorzaken een verhoogde bloedingsneiging door de werking van vitamine K te blokkeren. Symptomen treden meestal pas enkele dagen na de inname op. Bij een intoxicatie met een anticoagulans is vitamine K1 het specifieke antidotum.

Inleiding

Anticoagulerende rodenticiden verstoren de werking van vitamine K en daarmee de vorming van actieve stollingsfactoren.

Anticoagulerende rodenticiden verstoren de werking van vitamine K en daarmee de vorming van actieve stollingsfactoren.

Een stollingsstoornis ontstaat niet onmiddellijk na de inname. De reeds aanwezige actieve stollingsfactoren moeten eerst worden afgebroken. De PT Quick kan ongeveer 24 tot 48 uur na de inname verlengd zijn. Klinische bloedingen treden meestal pas 1,5 tot 5 dagen na de inname op. Een dier kan de eerste dagen dus nog volledig asymptomatisch zijn.

De toxiciteit verschilt sterk tussen de verschillende anticoagulantia. Langwerkende stoffen, zoals brodifacoum, bromadiolon, difenacoum, difethialon en flocoumafen, kunnen langdurige stollingsstoornissen veroorzaken.

Bij de risico-inschatting zijn vooral de werkzame stof, concentratie, ingenomen hoeveelheid, het lichaamsgewicht, het tijdstip en het eenmalige of herhaalde karakter van de inname van belang.

Onderstaande richtlijnen zijn bedoeld voor intoxicaties met vitamine-K-antagonisten, met name coumarinederivaten en indaandionverbindingen.

Symptomen

De eerste symptomen zijn vaak aspecifiek en kunnen bestaan uit lethargie, zwakte, verminderde eetlust, dyspneu, hoesten en moeilijk bewegen.

Bij verdere ontwikkeling van een stollingsstoornis kunnen onder andere bleke slijmvliezen, hematomen, hematurie, melena, hematemesis, epistaxis, langdurig bloeden uit kleine wonden en andere in- of uitwendige bloedingen optreden. Bij ernstige bloedingen kunnen tachycardie, hypotensie en shock ontstaan.

Het ontbreken van symptomen kort na de inname sluit een intoxicatie niet uit.

Behandeling

De behandeling is afhankelijk van de ingenomen dosis, het type anticoagulans, het tijdstip van de inname, eventuele eerdere blootstellingen en de klinische toestand van het dier.

Bepaling van beleid

Bij een asymptomatisch dier kan onderstaand schema worden gebruikt om het verdere beleid te bepalen.

Behandeling van het asymptomatische dier na (vermoedelijke) inname van een anticoagulantia bevattend rodenticide.

 

Grenswaarden bij eenmalige inname

Bij een eenmalige inname kan onderstaande tabel worden gebruikt om te beoordelen of de in het schema vermelde toxische dosis werd bereikt.

Werkzame stof

Concentratie in product

Hond: vitamine K1 vanaf             (g product/kg)

Kat: vitamine K1 vanaf         (g product/kg)

Brodifacoum

0,0025%

1

58,8

 

0,0028%

0,89

52,5

 

0,005%

0,5

29,4

Bromadiolon

0,0025%

14

100

 

0,0029%

12

86,2

 

0,005%

7

50

Difenacoum

0,0025%

200

400

 

0,005%

100

200

Difethialon

0,0025%

16

64

 

0,0029%

13,78

55,17

 

0,005%

8

32

Flocoumafen

0,0025%

0,3

40

 

0,005%

0,15

20

Bron: Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC), Nederland – veterinaire informatie over anticoagulantia.

Deze grenswaarden zijn uitsluitend bedoeld voor eenmalige, betrouwbaar ingeschatte innames en mogen niet als absolute veiligheidsgrenzen worden beschouwd. Bij een onbekende hoeveelheid of herhaalde inname zijn ze niet geschikt om een intoxicatie uit te sluiten.

Voorbeeld

  • Een hond van 15 kg eet eenmalig een blokje van 28 g met 0,005% brodifacoum.
  • 28 g / 15 kg = 1,87 g product/kg lichaamsgewicht

De grenswaarde bedraagt 0,5 g product/kg. De ingenomen hoeveelheid ligt dus boven de grenswaarde en wordt als een toxische dosis beschouwd.

Herhaalde inname

Bij herhaalde innames kan door stapeling een verhoogde bloedingsneiging ontstaan. Er bestaat daarom geen betrouwbare dosisgrens waaronder een herhaalde blootstelling als veilig kan worden beschouwd. Controle van de PT Quick en/of behandeling met vitamine K1 is dan aangewezen.

 

Therapie

Absorptievermindering

Bij een recente toxische of mogelijk toxische inname kan absorptievermindering worden overwogen door het dier te laten braken en/of geactiveerde kool toe te dienen. Dit is vooral zinvol binnen 4 uur na de inname.

Geen absorptieverminderende maatregelen toepassen bij een dier met een (vermoedelijke) verhoogde bloedingsneiging. Actieve kool mag niet gelijktijdig met orale vitamine K1 worden toegediend omdat vitamine K1 door actieve kool kan worden geadsorbeerd.

Het verdere beleid na absorptievermindering wordt weergegeven in bovenstaand schema.

Vitamine K

Vitamine K1 (fytomenadion) is het specifieke antidotum.

Dosering

Bij hond en kat:

  • Ladingsdosis: 5 mg/kg vitamine K1 subcutaan (SC), eventueel dezelfde dag een tweede dosis wanneer de eerste dosis vroeg op de dag werd toegediend.
  • Vervolgens vitamine K1 oraal: 2,5 mg/kg elke 12 uur of 5 mg/kg elke 24 uur.
  • De orale toediening gebeurt bij voorkeur samen met vet voedsel, omdat dit de absorptie verbetert.
  • De behandelingsduur bedraagt doorgaans 2 tot 4 weken, afhankelijk van het type anticoagulans.
  • Bij een kortwerkend anticoagulans, zoals warfarine, kan een kortere behandeling volstaan.
  • Bij langwerkende anticoagulantia, zoals brodifacoum, is doorgaans minstens 4 weken behandeling nodig.

Bij langwerkende anticoagulantia, zoals brodifacoum, is doorgaans minstens 4 weken behandeling nodig.

Het effect van vitamine K1 wordt pas na ongeveer 6 tot 24 uur verwacht. Bij ernstige bloedingen is vitamine K1 alleen daarom onvoldoende om de stolling onmiddellijk te herstellen.

Vitamine K3 (menadion) en vitamine K4 (menadiol) zijn niet geschikt als antidotum voor intoxicaties met langwerkende anticoagulantia. 

Ernstige bloedingen

Bij ernstige of levensbedreigende bloedingen moet naast vitamine K1 zo snel mogelijk worden gezorgd voor aanvulling van de ontbrekende stollingsfactoren, bijvoorbeeld met fresh frozen plasma (FFP) of ander geschikt plasma. Bij ernstige anemie kan een erytrocytenconcentraat of volbloed noodzakelijk zijn.

Afhankelijk van de plaats van de bloeding kunnen bijkomende maatregelen, zoals zuurstoftherapie of drainage van een hemothorax, nodig zijn. Het dier moet rustig worden gehouden om bijkomende bloedingen te voorkomen.

Monitoring

Bloedonderzoek

De PT Quick is de meest gevoelige vroege test voor een intoxicatie met vitamine-K-antagonisten.

Bij een asymptomatisch dier waarvoor PT-controle geïndiceerd is, kan volgens het NVIC-schema gekozen worden voor:

  • één controle 3 dagen na de inname; of
  • controles 2 en 4 dagen na de inname.

Bij een symptomatisch dier worden de PT Quick, aPTT en het fibrinogeen gecontroleerd. Afhankelijk van de klinische toestand kunnen aanvullend het volledig bloedbeeld en hematocriet worden bepaald en kan beeldvorming worden uitgevoerd om inwendige bloedingen op te sporen.

 

Controle na behandeling

Na stopzetting van vitamine K1 kan de PT Quick volgens het NVIC-schema worden gecontroleerd:

  • éénmalig 3 dagen na het stoppen; of
  • 2 en 4 dagen na het stoppen.

Bij een verlengde PT wordt vitamine K1 opnieuw gestart/verlengd, doorgaans gedurende 1 tot 2 weken.

Een PT-bepaling binnen 48 uur na toediening van vitamine K1 is niet betrouwbaar voor deze beoordeling.

Bij langwerkende anticoagulantia kan een langere behandelingsduur noodzakelijk zijn.

 

Andere overwegingen

Geneesmiddelen

Geneesmiddelen die het risico op bloedingen verhogen of de plaatjesfunctie beïnvloeden, zoals NSAID’s, worden bij voorkeur vermeden zolang een stollingsstoornis aanwezig is.

Bronnen

Versie 9/2026